Gedichten

Meditaties

Te groot voor woorden


‘Hoe oud is ze geworden?’ hoor ik mijn collega vragen aan een andere collega wiens moeder net is overleden.O, wat haat ik die vraag. En vooral het antwoord dat steevast volgt nadat de leeftijd is genoemd: ‘Mooie leeftijd.’Alsof dat er iets toe doet. Alsof het verdriet minder erg is als de overledene “oud en der dagen zat” was.

‘Mens, zeur niet zo,’ zei iemand tegen mijn buurvrouw die intens verdrietig was toen haar 93-jarige moeder gestorven was. Nog verdrietiger werd ze door het onbegrip. Haar moeder had toch een respectabele leeftijd bereikt?

Ik denk terug aan mijn eigen moeder. Jarenlang kon ze geen liefde geven aan haar zeven dochters. O, wat haatte ik als kind die muur om haar heen die door de jaren alsmaar ondoordringbaarder werd. Lijfelijk zo dichtbij, maar toch zo onbereikbaar ver. Pas jaren later begreep ik dat traumatische ervaringen in haar jeugd daar debet aan waren.

Toen onze zus op haar veertigste kanker kreeg, begon mijn moeder te veranderen. Wat was het zwaar voor haar om haar kind drie jaar lang te moeten zien lijden. Langzaamaan vielen er gaten in haar harde pantser, brokkelde haar muur steeds verder af. Ook na de dood van onze zus bleef mijn moeders muur verder afbrokkelen. Werd ze de moeder voor ons, die ze al die jaren nooit had kunnen zijn. Was er warmte in en om haar heen.

‘Ik heb verdriet om de moeder die ik niet heb,’ zei één van m’n zusjes twintig jaar geleden. Nu ze na een kort ziekbed is gestorven, hebben we allemaal verdriet om haar die de laatste vier jaar van haar 76-jarige leven pas een “echte” moeder voor ons was. Die vier jaar hebben alles goedgemaakt wat we al die jaren daarvoor in haar hadden gemist.

Zomaar ineens, van het ene op het andere moment was ze door zorg omgeven. Zagen wij, die haar bijstonden, hoe kwetsbaar ze was. Beseften we hoe diep liefde gaat. Wonderlijk is dat eigenlijk, dat je dat pas ten volle beseft bij een naderend einde.

Het bericht van de arts dat ze kanker had in een vergevorderd stadium was bij ons ingeslagen als een bom. De voorspelling van de arts kwam uit. Ze stierf aan een algehele achteruitgang. Hoe verdrietig ook, ik had die laatste periode van haar leven, van ons leven, niet willen missen. Want nog nooit waren we elkaar zo nabij, hebben we zoveel liefde van en voor elkaar ervaren.

In liefde kunnen we haar nu gedenken. Vroeger lijfelijk dichtbij, maar onbereikbaar ver. Nu onbereikbaar ver, maar toch zo heel nabij. Voor altijd in ons hart gesloten.

‘Hoe oud is ze geworden?’ vraagt mijn collega.
‘76 jaar,’ zeg ik.
 
Het is alsof hij me aanvoelt. Het verwachte antwoord blijft uit.
‘Ik weet niet wat ik moet zeggen,’ zegt hij alleen.
‘Zeg maar niets,’ fluister ik. ‘De dood is te groot voor woorden.’     


Piety Veenema (pseudoniem)

Mijn pseudoniem uitgelegd:
Als eerbetoon aan mijn moeder
Haar meisjesnaam was Veenema
En hier is alles mee gezegd.

Gods hand?


’t Zal je maar gebeuren. Je bent nog maar drie jaar en loopt door een hek dat iemand vergeten is te sluiten. Een hek waarachter zich een sloot bevindt, waarvan jij het gevaar nog niet beseft. Je verdrinkt. 

’t Zal je maar gebeuren. Je bent een jonge vrouw van negentien jaar en hebt pas je motorrijbewijs gehaald. Je rijdt vol trots op een geleende motor, misschien wel wat te hard. Je kijkt om je heen en ziet net te laat dat een automobiliste voor je afslaat. Je kunt niet meer remmen en verongelukt. 

’t Zal je maar gebeuren. Je bent een vrouw van 74 jaar, moeder van vijf kinderen en grootmoeder van twaalf kleinkinderen. Je steekt een zebrapad over, maar iemand rijdt door het rode licht en schept je. Je moet het met de dood bekopen.

Zo zou ik nog wel een tijdje door kunnen gaan. ’t Zal je maar gebeuren, dat je bijvoorbeeld omkomt in oorlogsgeweld, in een vliegtuig zit dat neerstort, vermoord wordt, slachtoffer wordt van zinloos geweld… En ’t zal je maar gebeuren dat anderen daar - wellicht met de beste bedoelingen - het etiket van ”Gods wil” opplakken. Dat anderen daarvan zeggen: ”God  zal er wel een bedoeling mee hebben.” Of: ”De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heeren zij geloofd.” Of: “God nam tot zich. Of: “Wij zwijgen Heer, het is uw wil…”

Is dat niet ontzettend wreed gezegd? En ook niet ontzettend gemakkelijk? Alsof we God in onze broekzak hebben. Wat wéten wij eigenlijk van God? Wat hij wel of niet wil? Wat is zeker?

Een kind van drie dat verdrinkt, een meisje van negentien dat met haar motor verongelukt. Een moeder en oma van 74 die geschept wordt door een auto die door rood licht rijdt. En al die anderen die verschrikkelijke rampen overkomen…  En dáár zou God de hand in hebben…? Ik weiger dat te geloven. Ik weiger in zo’n wrede God te geloven!

En als u mij vraagt: Maar geloof je dan niet dat dit kind van drie, dat meisje van negentien, die moeder en oma van 74 en al die anderen dan niet bij God zijn? Dan kan ik alleen maar zeggen: Dát is een heel ander verhaal.! 

Ik geloof dat we over God slechts in beelden kunnen spreken. En dan denk ik aan het volgende beeld: Je hebt afgesproken met je ouders, die in Brabant wonen, thuis te komen en zegt: ‘Ik verwacht om elf uur bij jullie te zijn.” Want je hebt een lange afstand af te leggen. Maar de volgende morgen ben je vroeg wakker en je vertrekt al wat eerder en de reis verloopt ook sneller dan je dacht en tegen tien uur bel je bij je ouders aan. Je moeder doet open en zegt: “Kind ben je er nu al? Ik had je nog niet verwacht. Maar kom binnen, je bent van harte welkom.”

Ik stel mij zo voor dat God óók tegen  dat kind van drie, dat meisje van negentien, al die andere slachtoffers die wij niet bij name kennen én deze moeder en oma zegt: "Kind, ben je er nu al? Ik had je nog niet ver­wacht. Maar kom binnen, je bent van harte welkom."



Piety Veenema

Toch troost?


Weet u het nog? De Bijlmerramp? Dat was op 4 oktober 1992.
El Al Israël Ailines had later een advertentie in Trouw:

Een vliegtuig van ons was instrument van het noodlot
dat zondag zovelen onverhoeds trof.
Wat kunnen wij daarover zeggen?
Elk woord is nu teveel
En duizenden zijn er te weinig
We voelen ons nietig en onmachtig bij zoveel leed
Ons medeleven, hoe goed ook verwoord,
kan de pijn en het verdriet niet verzachten.

Kort daarvoor ging ik naar een lezing “Blij zijn met jezelf zoals je bent”. Dat was op een rayonstartavond van de Vrouwenbond in Zuidhorn. De spreekster zei dat je moet proberen het leven positief te bekijken. Toen ik daar later over nadacht schoot mij een liedje van Robert Long te binnen:

Kind, zei m’n moeder altijd,
Onthou maar goed, wat je ook doet
Je moet het leven positief bekijken
Want, onthou mijn raad:
wordt maar niet kwaad
als het niet gaat zoals je graag zou willen
Want een mens is mooier als ie lacht
ook al is het nog zo’n donk’re nacht
Als je even zoekt…
dan vind je altijd
wel een heel klein puntje licht.

Als je even zoekt….Het klinkt allemaal heel mooi, maar er kunnen momenten in het leven zijn, dat het allemaal heel donker en triest lijkt en wie kent deze momenten eigenlijk niet? We kunnen zorgen hebben om ziekte, we kunnen verdriet hebben om het overlijden van mensen die ons zo dierbaar zijn. Verdriet om rampen die ons overkomen. En dan kan het gebeuren dat we misschien niet eens de moed op kunnen brengen om dat “lichtpuntje” in die triestheid te zoeken. 

Maar… het kan ook andersom! Je gaat niet zelf op zoek, maar je komt het lichtpuntje tegen. Dat kan een warme handdruk van iemand zijn, een arm om je schouder en dat zouden ook heel best kleurige bloemen kunnen zijn. Dat kan dan tóch troost geven en weer een heel klein beetje moed om verder te gaan. Daar gaat ook het volgende gedicht over (waarvan de bron helaas onbekend is):

Vandaag zie ik mijn levensweg
als een stuk asfalt in de grote stad
’t Is alles grauw, waar ik mijn voeten zet;
soms trap ik op een dood, verbrijzeld blad

De wolken boven mij zijn grijs
en doen mij denken aan een triest gewelf
waarin ik voortdool, zonder zin of doel
beangstigd door mijn losgeslagen zelf

Maar dan, opeens: een klein plantsoen
waarin wat bloemen fel te bloeien staan…
O God, Gij laat uw sjokkend kind niet los
maar kijkt het met een frisse glimlach aan.

Piety Veenema